Bij de Nederlandsche O.T.-mannen I

De mensen achter fortificaties, zoals de architecten, bouwers, soldaten, bewoners, bezoekers en slopers.
Gebruikersavatar
ErwinZ
Berichten: 1708
Lid geworden op: 23 apr 2008, 15:31
Locatie: AN8637
Contacteer:

Bij de Nederlandsche O.T.-mannen I

Bericht door ErwinZ » 12 jan 2014, 22:58

Een serie artikelen over de O.T. gepubliceerd in 1944. Ik had in eerste instantie de delen los van elkaar gevonden in verscheidende kranten en was door de schrijfwijze van verschillende journalisten niet echt saamhorig. Dit is de versie van de Arnhemsche krant in 4 delen. Rest volgt.

Arnhemsche Courant. Dinsdag 29 Febr, 1944
Bij de Nederlandsche O.T.-mannen.
Bezoek aan een duikbootkazerne.

(Van een C.D.-verslaggever)
Terwijl de winter over het geheele Europeesche vasteland heerscht huilt de Golfstroom met zijn warme water uit de Caraibische Zee de Atlantische kust van Frankrijk in milde grijze regensluiers. En zoo dwalen wij glijdend en slippend rond tusschen de gigantische werkzaamheden waaruit de vermaarde Atlanticwal ontstaat. De lucht wordt verscheurd door het gedaver van rotsboren, de claxonnades van vrachtauto’s, het fluiten en gieren der hijschkranen en grijpers. Van tijd tot tijd weerklinkt de doffe dreun van een explosie elders, waar men de rotsen opblaast.

Men hoort en ziet een symphonie van den arbeid zooals die voor den oorlog zelden ter wereld te vinden was, die men hoogstens kende uit de film.

Daarom verbaast het nauwelijks, als men plotseling voor een betonblok staat, dat 30 meter hoog en 200 meter lang is. “In twee jaar gebouwd door 15.000 man”, zegt een collega, die aan de Organisation Todt verbonden is. Als wij binnengaan, blijkt het gevaarte ook nog 25 meter diep te zijn. Wij bevinden ons in een dier geheimzinnige “duikbootkazernes”, waarover de Duitsche marine langs de geheele Atlantisch- en Noordzeekust van Biarritz tot Hammerfest de beschikking heeft. Als wij over het betonnen middenpad - dat overigens haast meer op de kade van een der groote wereldhavens lijkt - door de grote hal van de duikbootkazernes wandelen, liggen beneden ons in de diepte de duikboten in hun dokken en bassins. In elk dok één, grijs en vervaarlijk als een reusachtige haai op het droge, in de havens twee tot drie, glimmend van het grauwe water van den grooten Atlantische, het onmogelijke jachtveld van deze felle kapers, dat een verren achtergrond vormt aan het open einde der dokken en bassins.

Wij hebben het geluk, dat er juist een groote duikboot van zijn verre reis thuiskomt. En bij deze gelegenheid beleven wij vreemde bezoekers, iets van de kameraadschap en het familieleven dier duikbootmannen, die ondanks het stijgen en dalen van de curve die het verloop van den oorlog ter zee aangeeft, nog altijd de grootste zorg der Geallieerden vormen. Het geschiedt alles met de rust en mannelijke zelfbeheersching, welke kenmerkend zijn voor het zeemans, ook waar dat zijn gevaarlijkste vormen aanneemt. Inspectie door den havencommandant, toespraak van den commandant van duikbootbasis, drie hoera’s. Uit groote luidsprekers weerklinkt de U-bootmarsch en dan den wal op ! Onder aan den trap van het bassin staan twee meisjes met bloemen en sigaretten, een lach en een handdruk.

Elk lid van de bemanning krijgt nog een groote zak met fruit. Doch men moet de vreugde in de oogen der mannen aan boord en der collega’s op den kant gezien hebben bij het weerzien, de zwijgende handdrukken en hoe de duikbootkapitein met zijn baard in zijn vette overall wegwandelt, stijfgearmd tusschen twee collega’s, die hun beste plunje hun verlof onderbraken om de thuiskomst van hun kameraden bij te wonen, om te kunnen raden, hoe innig de legendarische duikboot kameraadschap wel is!

Het ziet er allemaal zoo eenvoudig uit, zoo’n kleine episode, als wij in deze duikbootkazerne meemaakten. De boot vaart uit het open de haven, en vandaar het bassin binnen met het gemak, waarmede men in de genoegelijke jaren voor den oorlog zijn auto des avonds in de garage reed. Doch wat hebben deze lachende, piepjonge kerels met hun baarden reeds niet achter den rug aan triomfen, gevaren en avonturen ? En wat is er niet noodig aan organisatie, opdat ook zij eenvoudig en zonder ophef hun “verdammte Pflicht” als soldaten ter zee kunnen doen? Wij hebben slechts een klein stukje daarvan gezien in deze duikbootkazerne, die trilt en davert van het leven en den arbeid in zijn groote hal, in zijn werkplaatsen, magazijnen en wapendepots. Doch wie kan raden, hoevele van deze duikbootkazernes er wel langs Europeesche kusten van Biarritz tot Hammerfest?

Als wij terugkomen van een bezichtiging van de bomvrije onderkomens, lazeretten en wat dies meer zij, welke voor de bezetting der kazerne zijn uitgehouwen diep in de rotsen, passeeren wij het imposante, betonnen gevaarte nogmaals. Men wil graag weten of zulk een grootte en belangrijke oorlogsinstallatie nu veilig is tegen luchtaanvallen. Onze begeleider, een O.T.-officier, wijst op het twee tot drie maal manshooge dak van gewapend beton. “Eenmaal is er een bom van tweeduizend kilogram op zoo’n dak terechtgekomen”, vertelt hij. “Er werd slechts een schilfer van enkele handbreedten dikte uitgeslagen……”.

Als wij voorzichtig op het gladde slijk onzen weg terugzoeken uit de gecompliceerde fundamenten voor een duikbootkazerne-in-aanbouw, klinkt het plotseling in goed Nederlandsch van een hijschkraan: “Ook goeie morgen !”. En met een blik op onze bemodderde schoenen, die zich inderdaad beter leenen voor het soepele asfalt der steden: “Je had beter laarzen aan kunnen trekken, maat !”

Aan den bouw van de duikbootkazerne, welke wij bezichtigden, werkten duizenden Nederlanders mede, zoo goed als er thans nog tienduizenden arbeiden aan den Atlanticwal. Over ons verdere bezoek aan dezen wal en aan de Nederlandsche mannen der Organisation Todt, in een volgend artikel.

Plaats reactie

Terug naar “De Mens achter en binnen fortificaties”